Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Nieuwe Revu van 6 juni 2018. Hier vind je het artikel op Blendle.

Met glinsterende ogen vertelt hij zijn verhaal. Cor Bronkhorst (76) is een ras-crimineel die midden jaren zestig zijn loopbaan binnen de penoze startte. Bankovervallen, illegale auto- en botenverkoop, drugshandel, het hele misdaadscala komt langs als de Amsterdammer praat. ‘Een keer lag er iemand met zijn kop in de linzensoep. Die hadden ze koud gemaakt.’

‘Heb je die voordeur gezien?’ Cor Bronkhorst (76) staat bovenaan de wenteltrap in de deuropening van zijn woning in de Amsterdamse Rivierenbuurt. ‘Dat is 20 centimeter dik staal, vergrendeld met banksloten. Daar kom je met een bijl nog niet doorheen. Heb ik er meteen in laten zetten toen ik hier kwam wonen dertig jaar geleden.’

Achter een jaren 80-brilmontuur glinstert een paar heldere ogen. Om zijn pols hangt een zilveren schakelhorloge. Cor Bronkhorst groeide op in Amsterdam-West als de zoon van een detailhandelaar. ‘Mijn vader verkocht lampen in een winkel op de Willem de Zwijgerlaan. Ik vond dat helemaal niks. Ik zag dat er een veel makkelijker manier was om geld te verdienen. De zooi die die ouwe verkocht, leverde helemaal niets op. Ik wilde snel een vermogen opbouwen en een beetje lol hebben gaandeweg. Avonturen beleven, de spanning opzoeken.’

Bankoverval
‘Het begon allemaal in 1966,’ vertelt Bronkhorst terwijl hij met een voet op een stoelzitting steunt. ‘Toen pleegde ik mijn eerste bankoverval in IJsselstein. We deden het met z’n drieën. Het plan was om twee banken tegelijk te doen, maar dat lukte niet door wat logistieke problemen. Mijn twee gabbers sprongen over de balie, ik hield de wacht in de portiek. Op het moment dat we het gebouw verlieten, rende ik tegen de vrouw van de lokale slager op, waardoor mijn pistool afging. Ik schoot recht door haar korset. Gelukkig alleen door de stof.’

Met twee vluchtauto’s wisten Cor en zijn compagnons te ontkomen. ‘Iets verderop in de Lek hadden we een vluchtboot klaarliggen om ons naar Rotterdam te varen. Het leek allemaal goed te gaan, maar iemand op een vissersbootje had ons gezien. We zijn van boord gegaan en met een motor met zijspan verder gereden op de kade. Niet veel later hield de politie ons aan. Wat we daar deden, wilden ze weten. Twee Amsterdammers op een motor langs de IJssel na een overval, dat was verdacht. Ik zei dat mijn auto een stuk terug zonder benzine stond en dat we op zoek waren naar een pomp. Wat bleek? 1,5 kilometer terug zat een benzinestation. We zijn toen direct in de boeien geslagen. Zes jaar was de eis. Uiteindelijk heb ik vier jaar in de Bredase koepelgevangenis gezeten.’

Bronkhorst neemt diepe halen van zijn sigaret terwijl hij vertelt. Voordat hij de rook naar binnen zuigt, ontsnapt er een wolkje uit zijn mond dat naar het plafond kringelt. De geur van tabak is in de groeven en kieren van het huis getrokken. De woning doet denken aan een miniatuurversie van het huis van Tony Montana, het hoofdpersonage uit de misdaadklassieker Scarface. Overal staan kitscherige Boeddhabeeldjes, op de salontafel staat een massieve, glazen asbak. Boven de zwartleren hoekbank zoeft een gouden plafondventilator. Aan weerszijden van de grote f latscreen-tv in het midden van de kamer hangen glimmende, grijszilveren tegels aan de muur. Op het scherm zijn de camerabeelden van de voordeur te zien. ‘Oude gewoonte,’ grijnst Bronkhorst.

Boten en auto’s
‘Toen ik uit de gevangenis kwam, ben ik overgestapt op de botenhandel. Dat was een gouden business. Ik ging dan naar de Nieuwe Meer, daar zocht ik een knap jacht uit dat ik vervolgens jatte en naar de jachthaven hier in Zuid voer. Daar laadden we hem op een transport van de firma Ockhuisen die hem naar Saint-Tropez vervoerde. Dat kostte 3000 gulden. Als zo’n ding in Frankrijk aankwam, draaide ik de Hollandse vlag op het achterdek om. Kon ik hem zonder problemen in Frankrijk verkopen. Makkelijk geld verdienen was dat.’

Het bleef niet alleen bij boten. Begin jaren 70 begon Bronkhorst zich ook op auto’s te richten. ‘Ik huurde hier in Nederland een auto die ik vervolgens in Spanje verkocht. Die Spanjolen maakten in de tijd nog alles na, waaronder nummerplaten. Ik had een pak met valse kentekenbewijzen met stempels en alles erop en eraan. Die monteerde ik met een paar gabbers op de wagens en vervolgens reden we naar Andorra. Van daaruit gingen we naar Barcelona waar een lokale bende de auto’s kocht. Dat deed ik samen met twee Duitsers, Horst en Richard.’ De zaken op het Iberisch schiereiland liepen zo goed dat Bronkhorst een huis kocht in Altea, niet ver van Alicante. Hij wijst naar een foto in een zilveren lijst aan de muur. Hij zit aan de bijrijderskant van een crèmekleurige cabrio met een arbeiderspetje op zijn hoofd. Met wuivende palmbomen als decor tegen de achtergrond van een helblauwe lucht. De wagen rolt over een zanderig pad ergens in Spanje. Het grasveld langs de kant van de weg ligt er droog en dor bij. Achter het stuur zit een vriend van Bronkhorst met een donkere zonnebril. ‘600.000 gulden kostte die wagen. Mooie tijden waren dat.’

Zijn blik blijft hangen bij een kromgetrokken foto die rechtsonder in de lijst zit geklemd. ‘Dat was mijn huis in Altea.’

Op de afbeelding is een vrijstaande villa aan zee te zien. Twee verdiepingen aan de Spaanse costa met een zwembad. Dezelfde palmbomen en dezelfde helblauwe lucht. In de verte strekt de Middellandse Zee zich uit.

‘Dat was ook de plek waar Richard en Horst in de problemen kwamen,’ zegt Bronkhorst met een nieuwe sigaret tussen zijn lippen, ‘we zaten daar op een gegeven moment op het strand toen de Guardia Civil aan kwam rijden in een strandjeep. Richard was bang dat ze verhaal kwamen halen over onze autohandel en ons wilden oppakken. Toen heeft hij die gast voor zijn f likker geschoten.’

Rijke vrouw
Hij vertelt het met ijzingwekkende kalmte. Zijn blik staat vriendelijk, met zijn vingertoppen woelt hij door zijn grijze snor. ‘Het was een beetje vreemd, maar ik was wel meer gewend destijds. Ik ben in ieder geval meteen terug naar Holland gegaan. Ik wilde er niets mee te maken hebben.’ Zijn twee compagnons vluchtten naar Tenerife om de lokale politie te ontlopen. ‘Het bleek achteraf dat ze op de Canarische Eilanden een of andere rijke vrouw hadden ontmoet. Ze namen haar mee uit en beroofden haar. Haar lijk hebben ze ergens op het strand begraven.’

Terug in Duitsland werden de twee mannen gearresteerd. Bronkhorst: ‘Ze zitten nog altijd vast. Levenslang in de Moabit-gevangenis in Berlijn. Ze hadden mij nog een mooie stereo opgestuurd voordat ze terug naar Duitsland gingen. Die bleek achteraf van die vrouw te zijn geweest. Ik heb bij de moordbrigade hier in Nederland nog moeten verantwoorden hoe ik aan dat ding kwam. Uiteindelijk hebben ze me laten gaan. Ik had niks te maken met die zaak.’

Drugshandel
Het was halverwege de jaren 70 dat Bronkhorst de overstap maakte naar de drugshandel. Hij dealde voornamelijk in amfetamine en coke. ‘Waarom denk je dat ik die stalen deur beneden heb?’ Hij wijst naar het televisiescherm aan de andere kant van de woonkamer waarop de toegang tot zijn huis te zien is. ‘Er lag hier soms drie of vier kilo coke in huis. Dan kan je maar beter je maatregelen treffen.’

Het begon volgens Bronkhorst onschuldig. ‘In Nederhorst den Berg begon ik met het maken van amfetamine in een stacaravan. Het viel destijds nog onder de medicijnwet. Niets aan de hand. Samen met een paar gappies produceerde ik honderden kilo’s van dat spul. Niet veel later ben ik ook in cocaïne gaan handelen. Dat haalde ik bij een café op het Rembrandtplein en verkocht het door. Die kroeg zit er overigens nog steeds.’

De amfetaminehandel zou later de aanleiding voor een nieuwe gevangenisstraf zijn. ‘We maakten de amfetamine niet alleen zelf, we leverden ook de spullen om het te kunnen maken. Hele laboratoria zetten we op.’ De materiaalleveringen waren voor Interpol reden om Bronkhorst op een lijst met gezochte personen te zetten. ‘Ik ben in Spanje tijdens een vakantie opgepakt voor een misdrijf in Duitsland. Ik hielp die moffen met de installatie van een lab in Düsseldorf. Uiteindelijk heb ik acht maanden in de bak gezeten in de Carabanchel-gevangenis in Madrid. Dat waren geen geintjes.’

De heldere glinstering in zijn ogen is verdwenen, zijn stem klinkt een octaaf lager. Bronkhorst heeft nare herinneringen aan zijn tijd in de Carabanchel. ‘Het was de hel op aarde. Veel cellen hadden geen deuren, er hingen alleen gordijntjes. Je moest er constant op je hoede zijn. Ogen in je achterhoofd moest je hebben. Het was jij of ik. Om de haverklap werden er mensen aangevallen. Met mesjes sneden ze elkaar de polsen door. Die Spanjolen zijn helemaal gestoord. Ik heb zelfs een keer meegemaakt dat ze bij een gozer een stok in zijn reet duwden totdat die niet meer verder kon. Daarna hebben ze hem over de reling gekieperd.’

Linzensoep
Twee dingen zijn Bronkhorst in het bijzonder bijgebleven van zijn tijd in Madrid. ‘Ik had blikjes in mijn cel hangen aan een draadje. Zodat ik mensen aan hoorde komen en ze me niet konden pakken in mijn slaap. Ik sliep amper die acht maanden.’

Inmiddels hangt er een dunne sigaar als vergeten in zijn mondhoek. Hij trekt er amper aan. ‘We kregen elke dag linzensoep te vreten. Van die 200 liter-pannen met linzen, niet te beuken. Ik kan geen linzen meer zien. Nog steeds niet. Een keer lag er iemand met zijn kop in de linzensoep. Die hadden ze koud gemaakt. De bewakers trokken hem eruit en daarna werd er weer vrolijk opgeschept.’

Gevangenis of niet, de nostalgie druppelt van zijn woorden wanneer Bronkhorst het over zijn oude makkers heeft, de vele reizen die hij maakte, het geld dat hij verdiende. ‘Ik heb het altijd voor de lol en de spanning gedaan. En de lol was het geld. Dat mis ik ook vooral, het geld. Af en toe verdiende ik op een dag 30.000 gulden aan een kilo coke. Geen idee waar het is gebleven. Het was altijd binnen de kortste keren op. Compagnons van mij hebben er buitenhuizen van gekocht en het opzijgezet. Ik niet. Ik was meer van het lang leve de lol. Er vloog weleens 10.000 gulden per dag doorheen. Gingen we feesten met z’n allen. Hoeren en snoeren.’

Hij grijnst breeduit, zijn snor hangt met de punten in zijn mondhoeken. Het was veel seks, drugs en rock-’n-roll in die tijd. ‘Ik ben vier volle dagen getrouwd geweest in mijn leven. In augustus 1966. In september pleegde ik de bankoverval in IJsselstein, toen had ik direct een scheiding aan mijn broek. Daarna was het van de een naar de ander. Ik had het erg gezellig. Qua vrouwen, zaken, alles. We hadden zoveel lol in die tijd. We verdienden bakken met geld, dus alles kon. Eén keer hebben we het Mirandabad afgehuurd waar we een Miss-Mini-modeverkiezing organiseerden. Allemaal dames in bikini en de winnares mocht met een Mini naar huis. Daar liep de hele Amsterdamse penoze rond in van die korte zwembroekjes met een telefoon aan een klip op hun heup. Geen gezicht was dat eigenlijk.

Nostalgie
Het is een dweperig beeld dat Bronkhorst schetst van zijn criminele loopbaan. Romantiek in de Amsterdamse onderwereld. Ouwe jongens krentenbrood in de marge van de samenleving. Berouw heeft Bronkhorst dan ook niet van zijn verleden bij de penoze. ‘Ik koester warme herinneringen aan die tijd. Spijt heb ik nooit gehad, van niets niet. Ik handelde alleen, moorden deed ik niet. Wat moest je anders doen? Het waren mooie tijden. Het was altijd feest. We verdienden tienduizenden guldens. Het was alleen maar lachen, zuipen, geld uitgeven. De hele f likkerse boel.’

Desalniettemin besloot Bronkhorst zeventien jaar geleden uit het milieu te stappen. ‘Ik ben er te oud voor. Het klimaat is veranderd. Tegenwoordig snijden ze al voor 100 gram cocaïne je vingers af. Vroeger was het gewoon knokken en kom maar op met wat je te zeggen hebt. Het is nu veel harder, ze steken je dood voor niets. In mijn tijd was het soepeler, makkelijker. Mensen kwamen langs, betaalden en gingen weer weg. Geen rippartijen, geen gejat. De tijden zijn anders nu, er is geen leuke handel meer. Je kan tegenwoordig iemand geen hand meer geven of je bent je ringen kwijt.’

Bronkhorst verdient zijn geld vandaag de dag met een bed-and-breakfast op de bovenste verdieping van zijn woning. ‘Of het legaal is? Nog niet.’

Hij knipoogt terwijl hij een hand door de laatste paar haren op zijn hoofd laat glijden. Bloed kruipt waar het niet gaan kan. ‘Onlangs ging ik naar Marokko op vakantie. Op Schiphol heb ik dit douanepetje omgewisseld met mijn eigen petje toen ze even niet keken.’

Trots toont hij een zwart hoofddeksel met de tekst ‘Nederlandse Douane’ en een afbeelding van de Hollandse leeuw. ‘Vind ik mooi,’ zegt hij met de pet tot over zijn oren getrokken. ‘Jatten van de politie. Net goed.’